Deze website maakt gebruik van cookies om onze diensten te leveren. Door gebruik te maken van onze website, gaat u akkoord met ons gebruik van cookies. Meer informatie over onze cookie policy. Via de browserinstellingen op uw computer kan u geplaatste cookies verwijderen en het plaatsen van nieuwe cookies weigeren. Raadpleeg voor de wijze waarop de helpfunctie van uw browser.

Ysebaert

Waar kan ik terugvinden of een bepaald product onder de ATEX114 richtlijn valt?

Niet alle materiaal dat u gebruikt en/of installeert in de ex zone valt onder de ATEX richtlijn 2014/34/EU.

Dit is niet altijd even duidelijk en kan soms voor verwarring zorgen. Daarom is er in de Guidelines een lijst opgenomen met materiaal waarover vaak twijfel bestaat, de zogenaamde Borderline List.

Deze lijst is niet volledig, hij biedt een antwoord op vaak voorkomende vragen en geeft voorbeelden van producten die al of niet onder de ATEX richtlijn 2014/34/EU vallen.
De lijst vervangt in geen geval de risico analyse van potentiële ontstekingsbronnen (volgens EN 1127) van ieder individueel product.

Is Ex ia de enige beschermingswijze die toegelaten is in zone 0?

De meest gekende en meest toegepaste beschermingswijze voor zone 0 is nog steeds Ex ia.

Volgende beschermingswijzen kunnen echter eveneens gebruikt worden voor toepassing in zone 0:

  • ma = inkapseling (EN 60079-18)
  • da = ontploffingsvaste behuizing (EN 60079-1)
  • op is = bescherming van materiaal en transmissiesystemen waarbij optische straling aan te pas komt (EN 60079-28)

Naast deze beschermingswijzen behoort een combinatie van minstens twee onafhankelijke beschermingswijzen, elk met EPL ‘Gb’, eveneens tot de mogelijkheden om het geheel EPL 'Ga' toe te kennen (EN 60079-26).

Is er een beperking op de lengte van geleiders in een Exe-kast?

Volgens EN 60079-14 mag de gemiddelde lengte van de geleiders niet langer zijn dan de halve diagonaal van de behuizing, aangezien berekeningen en type-onderzoeken op basis hiervan gemaakt zijn.
Je mag dus niet overdrijven met het binnenbrengen van hele lussen reserve lengtes.
Extra lengte stroomvoerende geleiders zou de interne temperatuur zodanig kunnen laten stijgen dat de temperatuurklasse overschreden wordt.
Om dezelfde reden is het raadzaam om in draadkanalen niet meer dan 6 geleiders te laten lopen.

Mag ik met mijn digitaal polshorloge in de Ex zone?

Met een eenvoudig al of niet digitaal polshorloge met batterij, mag u in de Ex zone.

Het spreekt voor zich dat een smartwatch geen eenvoudig polshorloge is.
Deze en alle andere batterij of solar aangedreven persoonlijke uitrusting dient een gepaste ex-classificatie te hebben of aan een risico analyse onderworpen te worden.

Is er een verschil tussen een certificaat van EG typeonderzoek en EU typeonderzoek, en analoog tussen EG conformiteitsverklaring en EU conformiteitsverklaring?

Een certificaat van EG typeonderzoek en de bijhorende EG conformiteitsverklaring zijn gekoppeld aan de ATEX95 richtlijn.
Onder ATEX114 heten deze documenten respectievelijk certificaat van EU typeonderzoek en EU conformiteitsverklaring.
Het enige verschil zit hem dus in de naam.

Het nummer van certificaten volgens ATEX95 blijven geldig onder ATEX114. Er is dus geen behoefte om certificaten te ‘converteren’.

Het opstellen van een certificaatnummer valt onder de bevoegdheid van een aangemelde instantie en de richtlijn specifieert hierover niets. Als het de gewoonte is van een NoBo om een nieuw certificaat uit te schrijven in plaats van een supplement/bijlage dan kan men het ‘oude’ certificaatnummer opnieuw gebruiken en verwijzen naar de nieuwe richtlijn 2014/34/EU.

Voor wat betreft de geldigheid van certificaten volgens ATEX95, verwijzen wij naar onze eerdere faq "Welke overgangsperiode is er voorzien voor de overgang naar de nieuwe ATEX114 richtlijn?".

Welke geharmoniseerde normen zijn er gekoppeld aan de ATEX114?

De huidige geharmoniseerde normen van de ATEX95 blijven hun wettelijk vermoeden van conformiteit ook behouden onder de nieuwe richtlijn ATEX114 omdat de essentiële eisen inzake veiligheid en gezondheid niet gewijzigd zijn. In maart 2016 werd de eerste lijst van geharmoniseerde normen gekoppeld aan ATEX114 gepubliceerd samen met de laatste lijst gekoppeld aan ATEX95. De inhoud van beide lijsten was identiek.

Mag een product nog geleverd worden met een EG conformiteitsverklaring waarin verwezen wordt naar de oude richtlijn?

Alle EG conformiteitsverklaringen voor 20 april 2016 moesten verwijzen naar ATEX95. Alle producten die zich reeds bevinden in de distributieketen voor deze datum, kunnen nog steeds geleverd worden met hun EG conformiteitsverklaring verwijzend naar ATEX95. Deze producten zijn immers wetmatig op de EU markt gebracht en er is dan ook geen behoefte om de bijgeleverde documenten aan te passen.
Producten op de markt gebracht of in dienst name van zelf gefabriceerde producten vanaf 20 april 2016, moeten verwijzen naar richtlijn ATEX114 in hun EU conformiteitsverklaringen.

Omdat de richtlijn eist dat de EU conformiteitsverklaring steeds het product vergezelt, was het voor fabrikanten erg lastig om deze van dag op dag te vervangen. Heel wat fabrikanten hebben dan ook in hun EG conformiteitsverklaring opgenomen: ‘The object of the declaration described above is in conformity with the relevant Union harmonisation legislation: Directive 94/9/EC (until April 19th, 2016) and Directive 2014/34/EU (from April 20th, 2016)’.

Wie moet welke gegevens aanbrengen op het product?

Het is aan de fabrikant om te beslissen of hij een serie‐, type‐ of batchnummer aanbrengt. Uiteraard heeft dit gevolgen naar traceerbaarheid en een eventuele terugroepactie.
De fabrikant moet zijn (handels‐ of merk)naam of postadres aanbrengen op het product. Eventueel mag dit ook binnenin het product maar deze informatie moet dan wel makkelijk toegankelijk zijn voor de markttoezichtautoriteiten.
Het vermelde adres moet niet noodzakelijk zijn waar de fabrikant effectief gevestigd is. Het kan even goed dat van de gemachtigde vertegenwoordiger of van een klantendienst zijn. Het adres moet specifiek genoeg zijn om een brief te laten arriveren op het juiste adres. Niet alle adressen maken gebruik van een straatnaam en/of huisnummer.

Zowel de naam en adresgegevens van de importeur als fabrikant dienen op het product aangebracht te worden; behalve wanneer beiden behoren tot dezelfde groep, en op voorwaarde dat het bedrijf gevestigd in de EU, de volle verantwoordelijkheid als fabrikant opneemt. Uitzonderingen hierop zijn kleine producten of waarvan de aard van het product dit niet toelaat. Het hiervoor moeten openen van de verpakking door de importeur valt eveneens onder deze laatste uitzondering. In deze gevallen mogen de gegevens worden aangebracht op de verpakking of op een document dat het product vergezelt.

Het adres moet niet vertaald worden. Het is onmogelijk met bepaalde alfabetten om deze gegevens te identificeren.

Een distributeur dient zijn contactgegevens niet aan te brengen op het product.
Enkel de fabrikant of importeur heeft deze verplichting.

Welke documenten moeten door wie afgeleverd worden volgens ATEX 114?

Een fabrikant moet er voor zorgen dat een product vergezeld gaat van instructies en informatie aangaande de veiligheid en een kopie van de bijhorende EU conformiteitsverklaring of verklaring van overeenstemming (componenten). Het is aan de fabrikant om uit te maken welke relevante informatie hierin opgenomen wordt.

In principe moet ieder individueel product vergezeld zijn van deze documenten, dus ook producten geleverd in bulk of verpakkingseenheid. Dit betekent echter niet dat de volledige instructies in papiervorm aanwezig moeten zijn. Het is ook voldoende om per zending van identieke producten één set van documenten toe te voegen.

Ook ATEX componenten dienen vergezeld te worden van instructies en informatie aangaande de veiligheid. Deze instructies zullen dan echter vooral informatie bevatten hoe deze in te bouwen in het latere ATEX product.

Zowel de importeur als de distributeur moet er voor zorgen dat een product vergezeld gaat van instructies en informatie aangaande de veiligheid en een kopie van de bijhorende EU conformiteitsverklaring of verklaring van overeenstemming (componenten).

De fabrikant, de importeur en de distributeur hebben de verplichting om de instructies en informatie aangaande de veiligheid, bij het product te leveren in een taal die makkelijk begrepen wordt door de eindgebruiker, zoals bepaald door de betrokken lidstaat. Iedere economische deelnemer heeft dus de verplichting om deze instructies (vertaald) ter beschikking te stellen. Het is aanbevelingswaardig om contractueel vast te leggen wie deze vertaling maakt.

Welke overgangsperiode is er voorzien voor de overgang naar de nieuwe ATEX114 richtlijn?

Een kort en bondig antwoord op deze vraag is: geen.
Er is namelijk geen overgangsperiode voorzien, de nieuwe ATEX114 richtlijn (2014/34/EU) treedt in voege in de nacht van 19 op 20 april.

Dit wil niet zeggen dat op dat moment alle ATEX95 certificaten vervallen.
Deze blijven ook onder ATEX114 geldig zolang ze voldoen aan de huidige editie van de normen.

Pas bij aanpassingen of vernieuwingen van bestaande ATEX certificaten valt het nieuwe certificaat onder ATEX114.
De naam zal op dat moment ook wijzigen van EC-Type examination certificate naar EU-Type examination certificate.

Wat is de volgorde van markeren wanneer meerdere beschermingswijzen van toepassing zijn?

De laatste jaren werden de gekende geharmoniseerde Europese normen van de EN 500xx-serie één voor één vervangen door een opvolger van de EN/IEC 600xx-serie.

Apparaten, componenten en samenstellen gecertificeerd volgens de EN 500xx-serie worden gemarkeerd in volgorde van belangrijkheid, waarbij de voornaamste beschermingswijze vooraan geplaatst wordt.

Apparaten, componenten en samenstellen gecertificeerd volgens de EN 600xx-serie worden gemarkeerd in alfabetische volgorde.

Praktisch wil dit zeggen dat men onder de ‘oude’ normen duidelijk kon aangeven dat men te maken had met een ‘EExde’ of een ‘EExed’ toepassing terwijl men onder de ‘nieuwe’ normen steeds te maken heeft met een ‘Exde’ markering.

Dit kan voor verwarring zorgen. Bijvoorbeeld : Het is niet altijd duidelijk of het bij een armatuur gaat om een Exe behuizing met Exd componenten, of om een Exd armatuur met een Exe aansluitcompartiment.

Is een ATEX certificaat eeuwig geldig ?

In tegenstelling tot wat velen denken, is een ATEX certificaat op zich niet eeuwig geldig.

Een ATEX certificaat wordt steeds gekoppeld aan bepaalde normen, aan hun op dat moment geldige editie. Het is net de beperkte geldigheid van deze normen die bijgevolg ook het certificaat zelf beperken.

Wanneer een bepaalde editie van een gekoppelde norm niet meer geldig is, heeft de fabrikant twee opties:

Hij laat zijn certificaat door een Notified Body upgraden naar de laatste edities van de normen. Meestal gebeurt dit door middel van een bijlage bij het oorspronkelijke certificaat.

Of hij evalueert zelf de wijzigingen in de nieuwe editie en in hoeverre deze impact hebben op zijn product. Indien zijn product volgens deze evaluatie nog steeds voldoet aan de nieuwe editie, kan hij dit opnemen in de CE-verklaring.
Een ATEX certificaat dat dus schijnbaar vervallen is doordat het naar vervallen edities van normen verwijst, kan dus nog wel geldig zijn in combinatie met een gewijzigde CE-verklaring.

Wat is de betekenis van de temperatuurklasse en hoe wordt deze bepaald?

De ontstekingstemperatuur is afhankelijk van de aard en de karakteristieken van de aanwezige gassen. Explosieveilige apparatuur mag geen temperatuur hebben, die voor de omringende atmosfeer een bron van zelfontsteking zou kunnen worden.
Het elektrisch materiaal van groep II wordt daarom onderverdeeld, volgens de maximale oppervlaktetemperatuur, in volgende temperatuurklassen:

TemperatuurklasseMaximale oppervlaktetemperatuur
T1450°C
T2300°C
T3200°C
T4135°C
T5100°C
T685°C

De maximale oppervlaktetemperatuur van een elektrisch apparaat moet voortdurend lager zijn dan de ontstekingstemperatuur van het gas- of dampmengsel waarin het wordt gebruikt.

Naar gelang de beveiligingswijze wordt deze maximale oppervlaktetemperatuur anders bepaald.
Exd-beveiligde apparaten zijn er op gebouwd om een inwendige explosie op te vangen. De maximale oppervlaktetemperatuur zal in dit geval enkel aan de buitenzijde van het apparaat bepaald worden.
In het geval van Exe zal ook de temperatuur aan de binnenzijde in rekening gebracht worden om de maximale oppervlaktetemperatuur van het apparaat te bepalen.

Wat zijn de regels betreffende het gebruik van Barrier Glands?

Volgens EN 60079-14:2013 volstaat het nu om voor ronde kabels met voldoende vulmassa en een lengte groter dan 3m, een als apparaat gecertificeerde Exd wartel - lees: een "gewone" wartel met rubber - te gebruiken.
Praktisch betekent dit dat men niet meer verplicht is om een barrier wartel volgens figuur 2 te selecteren.
Onze PA - PAP - PPAP wartel met rubbers voldoet hieraan.

Hoewel de bewuste figuur 2 verdwenen is uit editie 2013, zal deze nog jaren gebruikt worden en houden wij bijgevolg voor de duidelijkheid onderstaande verouderde info nog beschikbaar.

Ons certificaat voor de wartels is gewijzigd door de toevoeging van wartels van het type BARRIER. Deze wartels werden speciaal ontwikkeld voor gebruik in Exd toepassingen, volgens figuur 2 in de EN / IEC 60079-14:2007.

Samengevat komt het hier op neer dat je voor Exd toepassingen altijd wartels met opvulmassa (= barrierglands) moet gebruiken met uitzondering van :
- Een zuivere klemmenkast (= enkel klemmen)
- Gasgroep IIB + zone 2
- Gasgroep IIB + zone 1 + volume behuizing < 2 liter

In bovenstaande gevallen volstaat een klassieke Exd wartel (enkele of dubbele klemming) met rubbers.

Het is dus niet zo dat men altijd barrierglands moet gebruiken in Exd toepassingen !
Zone 2 is immers de grootste ex-zone en de meeste gassen bevinden zich in gasgroep IIA of IIB.

Volledigheidshalve vermelden wij dat ook een uitzondering gemaakt wordt voor Exd wartels (met rubbers) die SPECIFIEK getest zijn voor een uniek type/merk van kabel. Intentie is ook deze uitzondering (die in de praktijk uiterst zelden voorkomt) in de volgende editie van de norm gewoon weg te laten.

Bij Exde combinaties (= drukvaste kast met aansluitkast in verhoogde veiligheid) kan je gewoon een Exe wartel gebruiken.

Onze BARRIER glands worden identiek aan de klassieke (P)PA(P)-wartels opgebouwd. Extra wordt echter een metalen bus toegevoegd in de body die wordt opgegoten met een compound.

Wat is de betekenis van IIIA, IIIB en IIIC ?

Analoog aan de onderverdeling van gassen in groepen IIA, IIB en IIC, wordt ook stof onderverdeeld. Dit zijn dan de groepen IIIA, IIIB en IIIC.

In functie van het ontstekingsvermogen en vonkdoorslagvermogen van een explosief mengsel worden gassen en dampen ingedeeld in gasexplosiegroepen. Indelingscriteria zijn de spleetwijdtes (vlammenweg) en de minimale ontstekingsenergie, die voor de verschillende gassen proefondervindelijk zijn bepaald.

De indeling in stofexplosiegroepen is gebaseerd op de grootte en de elektrische geleidbaarheid van het explosief stof (geleidend = weerstand kleiner of gelijk aan 10³ Ohm.m). Alles wat groter is dan 500µm en geleidend is, zit in groep IIIA. Kleinere niet-geleidende deeltjes, worden onderverdeeld in groep IIIB terwijl de kleinere deeltjes die bovendien geleidend zijn in groep IIIC terecht komen.

Op elektrisch materieel wordt aangegeven voor welke groep (A, B of C) het ontworpen is. Apparaten met IIC of IIIC markering voldoen aan de strengste eisen en kunnen uiteraard ook gebruikt worden voor respectievelijk gassen of stoffen in de onderverdelingen A en B.

LocatieGroepVoorbeelden
Mijnen met mijngasIMethaan
Andere locaties waar gasontploffingsgevaar kan heersenIIAPropaan, Octaan, Aceton, Ammoniak
 IIBEthyleen, Koolmonoxyde
 IICWaterstof, Zwavelkoolstof, Acetyleen
Locaties met risico op stofexplosieIIIABrandbare zwevende materiaaldeeltjes
 IIIBNiet-geleidend stof
 IIICGeleidend stof

 

Mag een Exd behuizing volgebouwd worden?

Met de afmetingen van de montageplaat van een Exd behuizing moet met omzichtigheid omgesprongen worden. Al te vaak gaat men er van uit dat de montageplaat volgezet mag worden.

Er geldt echter de eis dat er voldoende vrije ruimte moet zijn in alle richtingen. Bij IIB+H2 en IIC toepassing is deze eis strenger dan bij Exd IIB toepassingen.

Verder moet men opletten dat de temperatuur binnen in de kast niet te hoog kan oplopen. In het bijzonder wanneer er Exi modules zijn ingebouwd.
Exi kringen moeten ook duidelijk gescheiden worden van de andere kringen.

Kastverwarmingen moeten op de juiste manier geplaatst worden.
Obstructies of ventilatoren hebben een niet te verwaarlozen invloed op het gedrag bij een eventuele ontploffing.

Kortom, veel factoren om rekening mee te houden bij het samenbouwen van een Exd kast !

Mag een metalen wartel op een kunststof behuizing geplaatst worden?

Een logische regel is dat de wartel uit hetzelfde materiaal bestaat als de behuizing. Bij voorkeur wordt dus een metalen wartel in een metalen behuizing geschroefd en een kunststof wartel in een kunststof behuizing.

In de praktijk kan dit aanleiding geven tot problemen:

  • roestvrij stalen behuizing : roestvrij stalen wartels zijn erg duur
  • aluminium behuizingen : aluminium wartels kunnen na verloop van tijd griperen
  • potentiaalverschillen tussen verschillende metalen (thermokoppeleffect) veroorzaken corrosie

In geval u een metalen wartel op een kunststof plaatst, dient deze wartel geaard te worden.
Voor onze CP-reeks hebben wij hier volgende oplossingen voor:

  • offshoreplaat aan de binnenzijde van de kast : elegante en eenvoudige oplossing.

         offshore plaat

  • individuele aardingsplaatjes aan de buitenzijde van de kast : installateur moet zelf aan elk plaatje een aarding voorzien.

         aardingsplaatje

  • individuele aardingsmoeren aan de binnenzijde van de kast : dure oplossing en slechts t.e.m. M32.

         Aardingsmoer

Waarmee dient men rekening te houden bij inbouw van een stralingsbron ?

Wanneer men een schemerschakelaar, badgereader of andere stralingsbron dient in te zetten in de Ex zone, wordt er vaak vanuit gegaan dat met het gebruik van een Exd-behuizing er geen enkel probleem is.
Men dient echter niet uit het oog te verliezen dat ook optische straling een ontstekingsbron kan zijn. Denk maar aan zonlicht dat, mits gefocust door bijvoorbeeld een lens, ontsteking kan veroorzaken.
Bij laser licht kan de energie zelfs bij een niet-gefocuste straal en over een lange afstand, groot genoeg zijn om ontsteking mogelijk te maken.
Onderstaande tabel (EN 60079-28, 5.2.2) legt de maximale stralingswaarden vast :

Apparatus groupIIIAIIAIIBIICIIC
Temp. class T3T4T4T4T6
Temp. class (°C)<150<200<135<135<135<85
Power (mW)15015035353515
Irradiance (mW/mm²)
(surface area not exceeding 400mm²)
20*20*5555

* For irradiated areas greater than 30mm² where combustible materials may intercept the beam, the 5mW/mm² irradiance limit applies.

Hoe controleer ik NPT schroefdraad in Exd toepassingen?

Voor de controle van NPT schroefdraad vertrekt men van de voorschriften volgens de NPT norm ANSI / ASME B1.20.1, oude EN 50018 en nieuwe EN 60079-1.

In geval van mannelijke schroefdraad zijn de voorschriften van de NPT norm identiek aan die van de Exd norm.
De werkwijze voor het testen van een Exd wartel met een ringkaliber is dus gelijk aan die van standaard materiaal.

Gaat het echter over vrouwelijke schroefdraad, dan is er wel degelijk een verschil tussen de NPT norm en de Exd norm EN 60079-1.
De werkwijze voor het testen met een penkaliber van vrouwelijke NPT schroefdraad vereist bijgevolg de nodige kennis.

Contacteer ons indien u hier graag meer informatie over wenst.

Hoe dicht mag ik een Exd behuizing monteren t.o.v. een ander voorwerp ?

Bij het installeren van drukvaste behuizingen, dient men rekening te houden met de minimum afstand tussen de vlammenweg en vaste obstakels die geen deel uitmaken van het materiaal zelf, zoals muren, stalen constructies, pijpen, ander materiaal,... .
Tenzij het materiaal getest is bij een kleinere afstand en dit gedocumenteerd is, dienen volgende minimumafstanden gerespecteerd te worden (tabel 13, EN 60079-14):

Gas GroepMinimum afstand mm
IIA10
IIB30
IIC40

 

Mag een dichting toegevoegd worden aan een wartel of een stop in een Exd toepassing ?

Theoretisch is het toegelaten om Exd wartels, adaptors of stoppen te voorzien van een dichting. De voorwaarde is echter dat er minimum 5 volledige gangen contact moet zijn. Dit geldt zowel voor rechte (metrisch) als conische (NPT) draad.
In de praktijk is het (domweg) toevoegen van een eigen dichting bij een metrisch verloopstuk, plug of wartel dus niet aan te raden!

Het aanbrengen van vet op de schroefdraad is toegelaten indien het om een geschikt vet gaat. Dit wil zeggen: niet-hardend, non-metallic en niet-ontvlambaar en zolang de aarding verzekerd blijft.

Mag ik in een Exd toepassing twee verloopstukken in elkaar draaien? Mag ik een stop in een verloopstuk draaien ?

In artikel 13 van de huidige editie van de EN60079-1 : 2007 (Exd norm) staat dat er slechts 1 verloopstuk per gat toegelaten is. In dit zelfde artikel staat eveneens dat het niet toegelaten is een stop te monteren in zulk een verloopstuk.

"Each entry shall have no more than one thread adapter when an adapter is used. A blanking element shall not be used with an adapter."

Met verloopstuk bedoelt men zowel een verkleiner als een vergroter (zie tekening C2 in annex C).

In hoeverre mag ik zelf onderhoud en herstellingen uitvoeren aan mijn Ex-materiaal?

De economische richtlijn 94/9/EG (=ATEX95) gaat over het vrij in de handel brengen van Ex apparaten in Europa. Installatie van deze Ex apparaten valt onder de sociale richtlijn ATEX137 en de norm EN60079-14. Onderhoud en herstellingen worden eveneens niet in de ATEX95 behandeld, maar zijn beschreven in de respectievelijke normen EN60079-17 (inspectie en onderhoud) en EN60079-19 (herstellingen).

In tegenstelling tot de ATEX95 richtlijn heeft het IECEx Scheme wel modules die onderhoud/herstelling en competenties van personen behandelen. Vermits enkel ATEX95 gecertificeerde producten geïnstalleerd mogen worden in België (Europa) is dit op dit moment irrelevant.

De EN60079-17 (editie 2013) artikel 4.2: ‘Qualification of personnel’ vermeldt dat inspecties en onderhoud enkel mogen gebeuren door ‘experienced personnel’. Zij moeten kennis hebben van de verschillende beschermingswijzen, algemene principes inzake zonering, installaties, de inhoud van deze norm, de bedrijfsregels en last but not least de NATIONALE wetgeving. Deze kennis kan opgedaan worden door vorming/training op een regelmatige basis. De deelname aan deze trainingen moet gedocumenteerd en aantoonbaar zijn.

De EN60079-19 (editie 2010) artikel 4.2: ‘Statutory requirements for repair facility’ vermeldt dat een herstelling aan Ex materiaal kan gebeuren door de fabrikant, de eindgebruiker of een derde maar dat deze allen bewust moeten zijn van de specifieke eisen in de NATIONALE wetgeving. Verder eist deze norm dat de hersteller beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de diverse procedures voor herstelling zijn opgenomen.  Uiteraard moeten alle effectieve herstellingen aan apparaten geregistreerd en gedocumenteerd worden. In de Annex B zijn training en competentie eisen voor de verantwoordelijken en uitvoerenden opgenomen.

De NATIONALE wetgeving inzake herstellingen aan Ex materiaal is kort maar krachtig beschreven in artikel 106 van het AREI. Hierin staat dat deze enkel mogen gebeuren door de fabrikant, eventueel zijn ‘verlengde werkbank’ of een zogenaamde erkende Ex werkplaats die onder toezicht van een erkend keuringsorganisme staat.

Conclusies:
België eist dus bovenop de Europese eisen dat een erkende Ex werkplaats onder toezicht staat van een erkend keuringsorganisme.

Mag een gebruiker voor een eenvoudige Exi klemmenkast een standaard behuizing nemen?

Tot voor kort was het toegelaten om voor een zuivere Exi klemmenkast een standaard behuizing te gebruiken.

In artikel 16.5 van de laatste editie van EN/IEC 60079-14 (2013) wordt hier echter een beperking opgelegd: het gebruik van een standaard behuizing mag enkel nog wanneer het om slechts 1 circuit gaat.

In de praktijk zal dus bijna altijd een behuizing gebruikt moeten worden die voldoet aan de eisen van EN 60079-0 met betrekking tot slagvastheid, veroudering, UV resistentie, ... dit wil dus zeggen een Exe behuizing.

Welke kunststoffen mag je gebruiken in functie van de verschillende zones en aanwezige gassen?

De EN/IEC 60079-0 en EN/IEC 60079-14 leggen eisen op om ontstekingen, veroorzaakt door elektro-statische ladingen van externe niet-metalen onderdelen van elektrische apparaten, te vermijden.
Denk hierbij aan tagplaten, beschermfolies, verf, kabelgoten met kunststof afdekking, kunststof montageplaten,...

In GAS zones gelden volgende voorschriften:

a) De meest voor de hand liggende keuze is te opteren voor een kunststof met een verminderde oppervlakteweerstand, waarbij de grens ligt op 1 GOhm (gemeten bij 50% ± 5% relatieve vochtigheid).

b) Een andere manier is een beperking van de maximale oppervlakte in functie van de zone en gasgroep (tabel 5 van artikel 6.5 EN/IEC 60079-14, waarden uitgedrukt in mm²):

Equipment Protection LevelGroup IIAGroup IIBGroup IIC
EPL Ga50002500400
EPL Gb10000100002000
EPL Gc10000100002000

De waarden in bovenstaande tabel mogen vermenigvuldigd worden met een factor 4 indien de omringende omgeving van het niet-metalen onderdeel te beschouwen is als een ‘geleidend en geaard frame’.

Wanneer het externe van het elektrisch apparaat bestaat uit verschillende niet-metalen onderdelen, mag ieder van deze delen onafhankelijk beoordeeld worden op basis van tabel 5, op voorwaarde dat deze delen elk omringd zijn door een ‘geleidend en geaard frame’.

Indien het om lange smalle niet-metalen delen gaat, wordt niet de oppervlakte maar de diameter of breedte beperkt (tabel 6 van artikel 6.5 EN/IEC 60079-14, waarden uitgedrukt in mm):

Equipment Protection LevelGroup IIAGroup IIBGroup IIC
EPL Ga331
EPL Gb303020
EPL Gc303020


c) In het geval van een niet-metalen film (verf, folie,...) op een metalen ondergrond moet de doorslagspanning ≤4 kV of geldt er een beperking op de dikte van de film (tabel 7 van artikel 6.5 EN/IEC 60079-14, waarden uitgedrukt in mm):

Equipment Protection LevelGroup IIAGroup IIBGroup IIC
EPL Ga220,2
EPL Gb220,2
EPL Gc220,2


d) Voor vaste opstellingen (dus géén mobiele) kan een elektrisch apparaat met externe niet-metalen onderdelen, dat niet voldoet aan één van bovenstaande oplossingen, enkel geleverd worden met een certificaat met een ‘X’ achteraan. Een bijhorende waarschuwingsplaat verwittigt de gebruiker over de risico’s van het apparaat in kwestie. Praktisch wil dit zeggen dat de verantwoordelijkheid verlegd wordt van de fabrikant naar de gebruiker. Deze laatste moet er immers voor zorgen dat dit (beperkt inzetbare) apparaat enkel geïnstalleerd wordt waar geen gevaar is voor ontsteking door elektro-statische (ont)ladingen en dit bij normaal gebruik, reiniging, ….

In DUST zones gelden volgende voorschriften:

Kunststof met een oppervlakte > 500mm² op een geleidende ondergrond moet één van volgende eigenschappen hebben.

a) De meest voor de hand liggende keuze is te opteren voor een kunststof met een verminderde oppervlakteweerstand, waarbij de grens ligt op 1 GOhm (gemeten bij 50% ± 5% relatieve vochtigheid).

b) Een doorslagspanning ≤4 kV.

c) Voor vaste opstellingen (dus géén mobiele) kan een elektrisch apparaat met externe niet-metalen onderdelen, dat niet voldoet aan één van bovenstaande oplossingen, enkel geleverd worden met een certificaat met een ‘X’ achteraan. Een bijhorende waarschuwingsplaat verwittigt de gebruiker over de risico’s van het apparaat in kwestie. Praktisch wil dit zeggen dat de verantwoordelijkheid verlegd wordt van de fabrikant naar de gebruiker. Deze laatste moet er immers voor zorgen dat dit (beperkt inzetbare) apparaat enkel geïnstalleerd wordt waar geen gevaar is voor ontsteking door elektro-statische (ont)ladingen en dit bij normaal gebruik, reiniging, ….

Waarom moeten metalen tegenmoeren gebruikt worden bij kunststof Exe wartels?

Wanneer Exe wartels (kunststof of metaal)  in een Exe behuizing worden gemonteerd met behulp van een tegenmoer, moet deze laatste vervaardigd zijn uit metaal.
De combinatie wartel-moer moet immers ook weerstaan aan de impact- en verouderingstesten (voor kunststoffen)  beschreven in de EN 60079-0.

Praktisch wil dit zeggen dat een ‘gewone’ kunststof tegenmoer  na een strenge winter en/of een warme zomer zou breken bij het uitvoeren van deze impacttest.

Uiteraard bestaan er kunststoffen die wel in aanmerking komen voor het vervaardigen van een  ‘ex-kunststof-tegenmoer’ maar het is weinig zinvol dit effectief te certificeren.
Daarom wordt in de meeste certificaten van EG-typeonderzoek voor kunststof Exe wartels opgenomen dat indien deze gemonteerd worden met behulp van een tegenmoer, dit een metalen moet zijn.

Wat is het verschil tussen apparaten gemarkeerd met 'Ex' en 'EEx'?

De laatste jaren werden de gekende geharmoniseerde Europese normen van de EN 500xx-serie één voor één vervangen door een opvolger van de EN/IEC 600xx-serie.
Op 1.10.2008 werd ook de EN 50014 (= algemene regels voor electrische apparaten) vervangen door de EN 60079-0. Vanaf deze dag werd het voor fabrikanten van Ex-materiaal dan ook moeilijk om hun producten nog te produceren en te verkopen gemarkeerd volgens de ‘oude’ EN 50014. Het wettelijk vermoeden van conformiteit verdwijnt immers wanneer een norm niet langer als geharmoniseerd voor de RL 94/9/EG vermeld staat in the Official Journal van de EG.

Praktisch wil dit zeggen dat fabrikanten moeten controleren of hun producten nog voldoen aan deze nieuwe norm(en), eventueel constructieve aanpassingen moeten doen, hun certificaten van EG-type onderzoek laten updaten en de bijhorende conformiteitsverklaringen aanpassen.

Apparaten gemarkeerd volgens de EN600xx normen worden gemarkeerd met ‘Ex’ i.p.v. de vertrouwde ‘oude’ Europese ‘EEx’.

Wanneer worden ronde ( ) en wanneer rechte haakjes [ ] gebruikt in de classificatie aanduiding?

Een intrinsiek veilige kring bestaat uit een intrinsiek veilig apparaat en een zogenaamd bijhorend apparaat (“associated apparatus”). Alle stroomcircuits van een intrinsiek veilige apparaat zijn intrinsiek veilig, en het apparaat mag dan ook in de Ex-zone geïnstalleerd worden.

Voorbeeld : IS magneetklep van categorie 1G met markering Ex ia IIC T6

Bijhorende apparaten bevatten zowel intrinsiek veilige als niet-intrinsiek veilige circuits, en zijn zodanig ontwikkeld dat de niet-intrinsiek veilige circuits de intrinsiek veilige circuits niet kunnen beïnvloeden. Ze moeten dus steeds in de veilige zone worden geïnstalleerd. Om dit aan te duiden maakt men gebruik van haakjes.

Voorbeeld : galvanische scheiding van categorie (1)G met markering [Ex ia] IIC

De rechte haakjes worden dus gebruikt in de klassieke Cenelec classificatie van bijhorende apparaten, terwijl de ronde haakjes aangewend worden bij de aanduiding van hun categorie.

Is een erkend keuringsorganisme (AREI) hetzelfde als een Notified Body volgens Richtlijn 94/9/EG?

Een aangemelde instantie (Notified Body) volgens de Richtlijn 94/9/EG is niet te verwarren met een erkend keuringsorganisme.
Deze laatste voert enkel een onafhankelijke controle uit (on site) alvorens de installatie in dienst mag. Voor de installatie zelf is dus geen beoordeling van overeenstemming volgens Richtlijn 94/9/EG nodig, op voorwaarde dat de gebruikte apparaten en samenstellen reeds een gepaste beoordeling doorlopen hebben.
Een erkend keuringsorganisme kan dus géén productkeuring uitvoeren noch “ATEX-certificaat” afleveren volgens Richtlijn 94/9/EG.

Moeten apparaten van de groep II altijd gemarkeerd worden met een letter A, B of C?

Enkel bij de beschermingswijzen drukvaste behuizing (Exd) en intrinsieke veiligheid (Exi) worden elektrische apparaten van groep II onderverdeeld in de gasgroepen IIA, IIB of IIC.
Deze onderverdeling is gebaseerd op de maximale experimenteel bepaalde spleet (MESG) voor drukvaste behuizingen en de minimale ontstekingsstroom (MIC) voor apparaten met intrinsieke veiligheid.

Voorbeelden :

  • klemmenkast verhoogde veiligheid met markering Ex e II T6
  • klemmenkast intrinsieke veiligheid met markering Ex ia IIC T6
  • drukvaste behuizing met markering Ex d IIB T3
  • behuizing met interne overdruk met markering Ex p II T4
  • magneetventiel met markering Ex em II T5

Het zijn de apparaten met markering IIC die de beste papieren kunnen voorleggen. Bijgevolg zijn IIB apparaten eveneens geschikt voor toepassingen die IIA vereisen, en zijn IIC apparaten eveneens geschikt voor toepassingen die IIA of IIB vereisen.

Volgens de laatste editie van EN 60079-0 wordt de markering bij alle beschermingswijzen aangevuld met A, B of C.

Welke documenten moeten door de fabrikant worden afgeleverd?

De fabrikant dient enkel de conformiteitsverklaring (CE-verklaring), of schriftelijke verklaring van overeenstemming in het geval van componenten, en bijhorende installatie-en onderhoudsinstructies te bezorgen.

Het afgeven van het certificaat van EG-typeonderzoek (beter gekend als ATEX certificaat) vormt dus geen wettelijke verplichting. Nochtans bevat deze laatste heel wat additionale informatie die spijtig genoeg niet altijd terug te vinden is op de verplicht te bezorgen documenten.

Hoewel niet uitdrukkelijk opgelegd, is het algemeen aanvaard dat veiligheidsinstructies (installatie, onderhoud, herstelling) op papier worden meegeleverd. Men kan er immers niet vanuit gaan dat de gebruiker in de mogelijkheid is om een elektronische versie te bekijken.

Met betrekking tot herstelwerkzaamheden kan de fabrikant de nodige instructies meeleveren of alternatief verklaren dat deze werkzaamheden enkel door de fabrikant mogen uitgevoerd worden.

Kan een Exd wartel gebruikt worden in Exe toepassing?

Hier is geen eenduidig antwoord op, dit is immers afhankelijk van de editie van de EN 60079-1 (Exd norm) volgens dewelke deze Exd wartel gecertificeerd is.

De voorgeschreven testen in de EN 60079-7 (Exe) en de EN 60079-1 (Exd) liepen over de verschillende edities nu eens gelijk, dan weer uiteen.
Het is bijgevolg aangeraden in een Exe toepassing steeds een wartel in verhoogde veiligheid (Exe) te gebruiken, of één die dual-certified (Exde) is.

Een wartel in verhoogde veiligheid kan niet gebruikt worden in een drukvaste behuizing.

 

Kan een gebruiker op basis van componentcertificaten (“U” achteraan) zelf een apparaat maken?

Componenten zijn onderdelen die essentieel zijn voor de veilige werking van apparaten en beveiligingssystemen maar geen autonome functie hebben.

Voorbeelden :

  • aansluitklemmen
  • lege drukvaste behuizingen
  • drukknoppen, signaallampjes, A-meters, …
  • voorschakelapparaat voor fluorescentielampen
  • Ex automaten, relais, …

Componenten in de zin van de ATEX95 Richtlijn mogen niet CE gemarkeerd worden !
Ze kunnen immers niet alle testen ondergaan beschreven in de Richtlijn en onderliggende Cenelec normen. Component certificaten (met een “U” achteraan) vermelden daarom o.a. geen temperatuurklasse. In het certificaat of in de gebruikershandleiding staat vermeld dat de uiteindelijke temperatuurklasse moet bepaald worden bij (latere) inbouw in een behuizing.

Ook een lege behuizing (= eveneens een component) wordt gecertificeerd zonder temperatuurklasse. De fabrikant weet immers niet wat er door de klant later ingebouwd zal worden.

In tegenstelling tot bv. de laagspanningsrichtlijn kan de samenbouwer zich dus niet baseren op de CE’s van de onderdelen . Vandaar dat de Richtlijn eist dat voor zones 1 en 21 (categories 2G en 2D) een totaalcertificaat afgeleverd wordt door een Notified Body. Voor zones 2 en 22 zou in principe aan zelfcertificatie gedaan kunnen worden. Maar hoe kan een samenbouwer de totale temperatuurklasse bepalen wanneer deze niet gekend zijn voor de afzonderlijke onderdelen ?

Praktisch gezien wordt een samenstel van componenten een apparaat in de zin van de Richtlijn.
Indien een (eind)gebruiker voor eigen gebruik een apparaat bouwt, wordt hij automatisch fabrikant met inbegrip van diens verantwoordelijkheden en plichten.

Wat betekenen die verschillende lettertjes bij Exn?

Exn is gebaseerd op de geharmoniseerde Europese norm IEC 60079-15.

Deze beschermingswijze kon op 5 verschillende manieren worden verwezenlijkt :

  • niet vonkende apparaat (nA)
  • behuizing met vereenvoudigde overdruk (nP (= z-purge))
  • apparaat met gelimiteerde energie (nL)
  • behuizing “restricted breathing” (nR)
  • vonkende apparaten (nC) waarbij de contacten gepast zijn beschermd anders dan restricted breathing, apparaat met gelimiteerde energie en vereenvoudigde overdruk.

In de laatste editie van de EN 60079-15, spreekt men nog slechts van 3 beschermingswijzen :

  • niet vonkend apparaat (A)
  • behuizing “restricted breathing” (R)
  • vonkende apparaten (C)
    - Enclosed-break device nC = afgezwakte Exd versie
    - Hermetically-sealed device nC = externe atmosfeer kan niet binnendringen (seal = solderen, braseren, lassen, ...)
    - Non-incendive component nC = omwille van hun design kunnen de contacten geen ontsteking veroorzaken
    - Sealed device nC = kan niet geopend worden tijdens normale werking

Een apparaat dat voldoet aan deze norm (= categorie 3G) is enkel en alleen geschikt voor gebruik in zone 2 (gasexplosies). Er bestaat geen automatisch verband met een mogelijke installatie in zone 22 (stofexplosies), waarvoor apparaten van categorie 3D nodig zijn.

Kan een apparaat dat zich in de veilige zone bevindt toch onder de ATEX95 vallen?

Veiligheids-, controle- en regelvoorzieningen bevinden zich in de veilige zone, maar zijn nodig voor de veilige werking van een apparaat dat zich in de Ex-zone bevindt met betrekking op het explosiegevaar.

Voorbeelden :

  • een motorbeveiligingsschakelaar bij Exe motor
  • Exi zenerbarrieres en modules
  • centrale printplaat van gasdetectie systeem
  • een meetmodule voor bewaking van temperatuur van een lager
  • een PTC relais van Ex-motor

Veiligheids-, controle- en regelvoorzieningen zijn de enige producten die zowel onder de laagspannings- als de ATEX95 richtlijn vallen. Bijgevolg moeten zij dus de gepaste conformiteitsprocedures volgens de Richtlijn 94/9/EG doorlopen en gemarkeerd worden.

Door de dubbele voorwaarde (steeds in combinatie met een apparaat in de Ex-zone en betrekking hebben op het ontploffingsgevaar) wordt voorkomen dat ieder apparaat dat zich in de veilige zone bevindt en toevallig een verbinding (bv. via een kabel) heeft naar de Ex-zone, onder de Richtlijn 94/9/EG zou vallen.

Moet een simple apparatus een ATEX certificaat hebben?

De definitie van simple apparatus is terug te vinden in de geharmoniseerde Europese norm EN 60079-11 artikel 5.7 (= intrinsiekveilig materiaal).

Voorbeelden (enkel en alleen gebruikt in intrinsiekveilige kringen) :

  • schakelaars
  • klemmenkasten (*)
  • weerstanden
  • thermokoppels

Deze norm heeft enkel betrekking op elektrisch materiaal. Deze simple apparatus zijn uitgesloten van de RL 94/9/EG omdat ze géén eigen bron van ontsteking hebben. Bijgevolg moeten zij de conformiteitsprocedures niet doorlopen en dus ook niet gemarkeerd worden volgens deze laatste RL.

Opgelet, dit wil niet automatisch zeggen dat ieder simple apparatus geschikt is voor iedere toepassing van de gebruiker. Zo moeten bv. kunststof behuizingen van categorie 1G anti-statisch zijn. De gebruiker moet dus zelf uitmaken (risico analyse van de potentiële ontstekingsbronnen) of de simple apparatus al dan niet geschikt is voor zijn/haar toepassing.

Omdat niet iedere gebruiker beschikt over de nodige technische competentie, zijn gecertificeerde klemmenkasten vaak de beste oplossing !
(*) Dit wordt eveneens bevestigd door een aanvulling in de laatste editie van EN/IEC 60079-14 (2013) (cfr. FAQ "Mag een gebruiker voor een eenvoudige Exi klemmenkast een standaard behuizing nemen?").

Een zelfde redenering moet gevolgd worden voor niet-elektrische simple apparatus (plastic container, buis, stoel, …). Er bestaat echter geen definitie voor niet-elektrische simple apparatus, en ieder geval moet dan ook door de gebruiker afzonderlijk bekeken worden. Wat men in feite doet is het probleem doorschuiven van de economische naar de sociale richtlijn. In geval van discussie hakt de ATEX Standing Committee de knoop door, zoals gebeurd is met de door menselijke kracht bediende kleppen.

Moeten kabels in de Ex-zone gemarkeerd worden volgens de RL 94/9/EG?

Nee, kabels zijn geen apparaat in de zin van deze richtlijn. Kabels worden niet beschouwd als een bron van ontsteking op voorwaarde dat ze voldoende elektrisch en mechanisch beschermd zijn.


Het verbinden van apparaten in de zin de RL ATEX114 wordt in de meeste gevallen beschouwd als een installatie (= domein van de sociale RL). Kabels conform aan de laagspanningsrichtlijn (73/23/EEG) worden beschouwd als geschikt voor het verbinden van apparaten die vallen onder RL ATEX114. Bijkomende eis voor BE3 ruimten (ex omgeving) is dat de kabel van klasse F2 dient te zijn, en dit voor zowel vaste als mobiele installaties.

Bijgevolg moet een kabel dus niet gemarkeerd worden volgens RL 2014/34/EU.